Al sinds een paar jaar schaats ik niet meer. Soms droom ik nog dat ik op skeelers keihard door een verlaten stad rij, waarbij ik dan hoop dat ik op kruispunten niemand tegen kom, want ik kan niet remmen. Diep zitten, de afzet zo lang mogelijk uitstellen, druk opbouwen door te 'verzamelen' - dat mis ik het meest. Maar toegegeven: dat kon ik ook op het ijs al lang niet meer.
Verder heb ik mijn racefiets en mijn 'gewone' fiets weggegeven. De Parkinson en het slechte zien zijn een giftige combinatie, waardoor ik ga zwalken. Stoepranden, paaltjes en geparkeerde fietsen veranderen dan in gevaarlijke objecten - ik moet voortdurend alert zijn. Wat me opvalt is de hulpvaardigheid van heel veel mensen, en ik durf tegenwoordig zomaar te vragen of ik iemands hand even mag vasthouden.
En dan nu het goeie nieuws: laatst in een weekend hebben Ingrid en ik 'De Zomer van '45' opnieuw bekeken. Gemaakt eind tachtiger jaren, acht afleveringen, een feest van herkenning. Er zitten veel 'oerscenes' in: eerste allesomvattende liefde, een moeder die haar pasgeboren kind moet afstaan, mensen die elkaar niet kunnen bereiken. Kinderen van de bevrijding, die op zoek gaan naar hun ouders. Ik zat het hele weekend te janken van ontroering, en ik besefte: deze serie is klassiek en tijdloos, kan ieder jaar rond vijf mei worden herhaald en is dan nog steeds relevant. Met grote dank aan de acteurs, met name Will van Kralingen, Renée Fokker en David Palffy.